5.2 Tijdelijke medewerkers
werknemers zonder werkgever
Een ZW-uitkering is niet alleen bedoeld voor werknemers in vaste dienst. Ook bepaalde werknemers zonder werkgever kunnen bij ziekte een ZW-uitkering ontvangen. De wetgever wil hiermee voorkomen dat deze groep bij ziekte tussen wal en schip raakt. Deze (ex-)werknemers worden flexwerkers genoemd.
Uitbetaling ZW-uitkering aan werkgever
UWV betaalt de ZW-uitkering voor medewerkers in principe aan de werkgever uit. Hij betaalt dan gewoon het loon door aan de medewerker. In bepaalde gevallen is het handiger als UWV de uitkering direct aan de medewerker betaalt, bijvoorbeeld als het contract van de medewerker op korte termijn afloopt. Dan kunt u aan UWV vragen om de uitkering aan de medewerker over te maken en kunt u de loondoorbetaling met dit bedrag verminderen.
Loondoorbetalingsplicht
eisen
flexwerkers
UWV keert de ZW-uitkering direct uit zolang de medewerker aan de eisen voldoet, met een maximum van 104 weken. Na twee ziektejaren vervalt immers ook de loondoorbetalingsplicht van de werkgever en kan de medewerker een WIA-uitkering aanvragen. Er gelden verder geen wachtdagen, zoals bij flexwerkers (zie 5.2.2).
5.2.1 Doelgroep
oproepkracht
De volgende flexwerkers kunnen aanspraak maken op een ZW-uitkering als ze ziek zijn:
- medewerkers die ziek zijn op het moment dat hun contract van rechtswege afloopt;
- medewerkers die binnen vier weken na het einde van hun dienstverband ziek worden. Dit heet nawerking;
- uitzendkrachten met een uitzendbeding in het contract;
- medewerkers met een fictief dienstverband, zoals stagiairs, thuiswerkers en freelancers;
- oproepkrachten en invalkrachten zonder arbeidscontract;
- zieke WW-gerechtigden;
- medewerkers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, in dienst zijn gebleven en vervolgens ziek worden.
Deze uitkeringsgerechtigden hebben recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon. Het dagloon wordt net zo berekend als voor zieke werknemers met werkgever.
5.2.2 Uitkering aanvragen
moment
Wordt een (ex-)flexwerker ziek, dan is het de vraag wie de uitkering aanvraagt. Dit hangt af van het moment waarop de medewerker ziek werd. Gaat de medewerker ziek uit dienst, dan moet hij worden ziek gemeld en moet u voor hem een ZW-uitkering aanvragen bij UWV op de laatste dag dat hij in dienst is. Stagiairs die aanspraak maken op een uitkering meldt u uiterlijk op de vierde ziektedag ziek. Andere (oud-)medewerkers moeten zelf de uitkering aanvragen.
Voormalig medewerkers krijgen pas vanaf de derde ziektedag hun uitkering. UWV hanteert namelijk twee wachtdagen als zij zich voor het eerst ziek melden. Meldt een flexwerker zich binnen vier weken na een eerdere ziekteperiode weer ziek, dan gelden er soms geen wachtdagen.
5.2.3 Duur van de ZW-uitkering
Net als bij vaste medewerkers duurt de ZW-uitkering voor voormalige medewerkers maximaal twee jaar. De eventuele periode van loondoorbetaling die eraan voorafging wordt hierbij meegeteld.
Keuring
beoordeling
werken
Zodra een zieke werknemer zonder werkgever met een ZW-uitkering bijna één jaar ziek is, krijgt hij een zogenoemde Eerstejaars Ziektewet-beoordeling van UWV. De werknemer voert dan een aantal gesprekken met UWV, zodat het uitvoeringsinstituut kan beoordelen hoe het met de gezondheid van de werknemer is gesteld en welke mogelijkheden de zieke heeft om te werken.
Achtergrond
De ZW-uitkering blijft in stand als de zieke flexwerker 65% of minder kan verdienen van het loon dat een persoon met een vergelijkbare achtergrond en ervaring kan verdienen. Als dit percentage hoger is, stopt de ZW-uitkering.
De eerstejaarskeuring speelt ook als uw werkgever eigenrisicodrager is voor de ZW. Maar die keuring hoeft u niet zelf uit te voeren, die taak neemt UWV op zich. U mag de keuring niet bij een derde partij neerleggen. Bent u het niet eens met de uitslag, dan kunt u bezwaar maken.
5.2.4 Arbeidsongeschiktheid bepalen
bedongen arbeid
Tijdelijke krachten die tot de doelgroep behoren, kunnen aanspraak maken op een ZW-uitkering zolang ze niet kunnen werken. Voor de wet is dit voor medewerkers in loondienst het geval als ze niet in staat zijn om de bedongen arbeid – hun eigen werk – te doen. Voor flexwerkers en medewerkers zonder werkgever geldt een ander criterium, dat aansluit bij de vereisten voor de WIA.
Algemeen geaccepteerd
ander werk
Flexkrachten moeten zo veel mogelijk aan de slag gaan. En als zij niet meer hun eigen arbeid kunnen verrichten, dan kunnen ze mogelijk wel ander werk doen. In de WIA is bepaald dat alle ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ die de medewerker kan verrichten, als passend werk wordt beschouwd – ook als dit bijvoorbeeld onder het werk- en denkniveau van de medewerker ligt.
Onderscheid
tijdelijke baan
Medewerkers in vaste dienst verrichten meestal gedurende lange tijd grotendeels dezelfde arbeid. Het is dan zinvol om uit te gaan van de bedongen arbeid bij het beoordelen van ziekte. Maar voor flexwerkers die vaak van baan of functie wisselen, ligt dit veel minder voor de hand. Zij kunnen misschien hun laatste functie niet meer (of nog niet) uitvoeren wegens ziekte, maar ze kunnen mogelijk prima diverse andere werkzaamheden uitvoeren, die ze bijvoorbeeld eerder eens hebben verricht. Bovendien is de kans kleiner dat ze in hun oude arbeid re-integreren, omdat dit vaak een tijdelijke baan was, die niet altijd beschikbaar blijft voor de flexkracht.
Het gemaakte onderscheid tussen vaste en tijdelijke medewerkers in de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is gunstig voor de werkgever. Hij betaalt immers hogere premies als flexwerkers instromen in de Ziektewet. Doordat zij in principe ook ander werk moeten accepteren, kunnen ze sneller aan het werk gaan en dat beperkt de premielasten van de oud-werkgever.